Durven dromen van zout water

Over minder dan twee weken vertrek ik naar Fremonte, aan de westkust van Frankrijk. Twaalf dagen in een huisje op een camping, met uitzicht op de zee. Als ik dit typ, voel ik een mengeling van opwinding en zenuwachtigheid door mijn buik gaan. Want dit is mijn eerste echte autovakantie sinds ik ziek geworden ben – en de eerste lange vakantie in meer dan vijf jaar.

De roep van de zee

De zee… ik kan niet uitleggen wat dat met me doet. Al mijn hele leven is water mijn veilige plek, mijn rustpunt, mijn thuis. Vroeger gingen we zes weken naar een strandcamping op Vlieland, en daar was ik het gelukkigst. Het geluid van de golven, de zilte lucht, het gevoel van eindeloze horizon – daar word ik compleet van.

Sinds mijn diagnose heb ik die lange strandvakanties gemist als een verloren liefde. Niet omdat het echt onmogelijk was, maar omdat ik ergens onderweg ben gaan twijfelen aan wat nog kon. Maar nu, na jaren van aanpassen en accepteren, durf ik weer te dromen van zout water en zandige voeten.

De vraag die ik mezelf (en anderen) stelde

Een paar weken geleden stelde ik twee goede vrienden een eerlijke vraag: “Ben ik niet helemaal delulu als ik denk dat ik dit kan?” Zestien dagen, helemaal alleen, in een land waar ik de taal spreek maar waar ik geen vangnet heb. Geen thuiszorg die drie keer per week langskomt. Geen vertrouwde huisarts om de hoek. Geen vrienden in de buurt voor noodgevallen.

Hun antwoord was duidelijker dan ik had verwacht: “Helemaal niet gek! Maar neem wel minstens twee dagen voor de reis erheen. Liever drie.” Dat relativeerde mijn zorgen meteen. Het ging niet om óf ik het kon, maar om hóe ik het slim zou aanpakken.

Praktische puzzels in een Citroën C1

Komend weekend ga ik met een vriendin testen hoe alles in mijn kleine auto past. Een Citroën C1 is niet bepaald een ruimtewonder, en ik moet naast mijn kleren ook mijn rollator, scootmobiel en allerlei zorgspullen meenemen. We gaan puzzelen tot alles past – zoals Tetris, maar dan met (levens)noodzakelijke spullen.

De afgelopen weken heb ik een lijst gemaakt van alle extra zaken die ik mee moet nemen ten opzichte van vroeger (voordat ik ziek werd). Zestien dagen betekent dat ik van alles genoeg mee moet hebben, plus een beetje extra voor het geval dat. Het is vreemd om te beseffen bijvoorbeeld hoeveel pilletjes en potjes er bij mijn dagelijkse routine horen en de hoeveelheid wondmateriaal.

De angst voor het onbekende

Eerlijk? Ik ben zenuwachtig. Niet voor het rijden of de bestemming, maar voor het wegvallen van mijn vangnet. Thuis heb ik mijn ritme, mijn vaste hulp, mijn vertrouwde omgeving waar alles is aangepast aan mijn behoeften. In Frankrijk ben ik aangewezen op mezelf en een huisje waar ik niet van tevoren heb kunnen checken hoe toegankelijk het is.

Wat als ik daar niet uit de voeten kan? Wat als het huisje toch niet geschikt blijkt? Wat als ik halverwege de vakantie door mijn energie heen ben? Die vragen spoken nog steeds door mijn hoofd, ook al weet ik dat ik ze pas kan beantwoorden als ik er ben.

Waarom ik het toch doe

Maar weet je wat sterker is dan die angst? De behoefte om mezelf te bewijzen dat ik nog steeds kan leven in plaats van alleen maar overleven. Vijf jaar is te lang om je dromen op de plank te laten liggen uit angst voor wat er mis zou kunnen gaan.

Bovendien: de zee. Ik verlang zo naar dat gevoel van vrijheid dat alleen water me kan geven. Naar het geluid van golven als ik ’s ochtends mijn ogen opendoe. Naar zonsondergangen waarbij de wereld even perfect voelt. Naar dat moment waarop je beseft dat je kleiner bent dan de oceaan, maar ook deel uitmaakt van iets groters.

Twee dagen erheen, twee dagen terug

Mijn vrienden hadden gelijk over het tempo. Ik ga het rustig aan doen: twee dagen erheen, twaalf dagen genieten, twee dagen terug. Geen gehaast gerij, geen stress over tijdsdruk. Als mijn energie het niet toelaat om in één dag door te rijden, dan doe ik dat gewoon niet.

Het voelt als een kleine revolutie om toe te geven dat ik meer tijd nodig heb dan anderen. Vroeger zou ik hebben volgehouden dat ik het wel even in één ruk zou doen. Nu plan ik verstandig, en dat voelt eigenlijk heel bevrijdend.

Voor iedereen die twijfelt aan hun dromen

Als jij ook een droom hebt waarvan je denkt “dat kan ik toch niet meer”, dan is dit mijn boodschap aan jou: vraag het aan mensen die je vertrouwt. Niet of het kan – want de kans is groot dat het wel kan, op jouw manier – maar hoe je het slim kunt aanpakken.

Misschien duurt het langer. Misschien heb je meer voorbereiding nodig. Misschien moet je creatieve oplossingen bedenken. Maar als het belangrijk genoeg voor je is, is het de moeite waard om uit te zoeken hoe het wel kan.

Over twee weken sta ik aan de Franse kust, met mijn tenen in het zand en zout op mijn lippen. En ik kan nu al niet wachten om jullie te vertellen hoe het is.

Hebben jullie ook dromen die jullie hebben uitgesteld? Vertel het me in de reacties – misschien kunnen we elkaar inspireren om toch die stap te zetten.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *